Stoomgemaal
Windmolens
Een gemaal is een machine die water wegpompt of verplaatst om de waterstand in een gebied te regelen. Dit helpt om land droog te houden of om te zorgen dat er genoeg water zit in sloten en kanalen. Tot in de negentiende eeuw werkten de gemalen op basis van windkracht, met windmolens. Hiermee werden onder andere de Beemster en de Purmer drooggelegd. Maar deze windmolens hadden een nadeel: ze werkten alleen als er wind was. Zonder wind kon er geen water worden weggepompt. De uitvinding van de stoommachine veranderde dit.
Stoommachine
De stoommachine werd niet in één keer uitgevonden. Verschillende mensen werkten er aan. Al in de eerste eeuw, ergens tussen het jaar 10 en 70, bouwde Heron van Alexandrië een simpel model. Maar pas in de achttiende eeuw kwamen grote verbeteringen. Thomas Savery (1698) en Thomas Newcomen (1712) legden de basis voor de stoommachine. Uiteindelijk bouwde James Watt de eerste machine die echt goed werkte. In 1777 werd zo’n machine voor het eerst gebruikt bij een mijn in Cornwall.
Eerste stoomgemaal
Dankzij de stoommachine konden gemalen ook werken op stroomkracht. In 1787 werd dit voor het eerst getest in de Blijdorpse polder bij Rotterdam, gevolgd door de Mijdrechtse Droogmakerij in 1794. Het eerste stoomgemaal dat echt goed werkte, stond bij de Arkelse Dam in Arkel, vlak bij Gorinchem, en werd gebouwd in 1825.
Drooglegging Haarlemmermeer
De overstap naar stoom was niet vanzelfsprekend. Nederland gebruikte al lange tijd met succes windmolens om land droog te maken. Toen het Haarlemmermeer moest worden drooggelegd, ontstond er discussie. Wind of stoom? Voor de drooglegging waren 166 windmolens nodig en sommige mensen vonden stoom een beter idee. Koning Willem I besloot uiteindelijk dat het met stoom moest gebeuren. Hij zag het als een belangrijk project voor Nederland, vooral na de onafhankelijkheid van België in 1830. Hij steunde technische vooruitgang, en dus koos hij voor het stoomgemaal. Tussen 1849 en 1852 zorgden drie grote stoomgemalen – De Cruquius, De Lijnden en De Leeghwater – ervoor dat het Haarlemmermeer droog kwam te liggen.
Overstap naar diesel- en elektromotor
In de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen er steeds meer stoomgemalen. Uiteindelijk waren het er ongeveer 700. Maar in de eerste helft van de twintigste eeuw veranderde dit. Nieuwe technieken, zoals de diesel- en elektromotor, maakten stoom overbodig. Veel stoomgemalen werden omgebouwd. Zo kregen de gemalen De Lijnden en De Leeghwater in 1920 een dieselmotor.
Woudagemaal
Niet alle stoomgemalen werden omgebouwd. Zo veranderde stoomgemaal De Cruquius in een museum. Een ander voorbeeld is het Ir. D. F. Woudagemaal bij Lemmer in Friesland. Dit bleef op stoom werken en is nu het grootste nog werkende stoomgemaal ter wereld. Koningin Wilhelmina opende het gemaal in 1920 om overtollig water weg te pompen. Het elektrische Hooglandgemaal in Stavoren nam deze taak in 1966 grotendeels over.
Werelderfgoed
Tegenwoordig wordt het Woudagemaal alleen nog gebruikt bij extreem hoge waterstanden. Daarnaast laat Wetterskip Fryslân het gemaal twee keer per jaar draaien om machinisten op te leiden. Het gemaal staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Dit komt omdat het een bijzonder voorbeeld is van hoe Nederland zich beschermt tegen water. “Het Woudagemaal is het hoogtepunt van Nederlandse architecten in het beschermen tegen de kracht van water”, aldus UNESCO.