Watersnoodramp 1953: Als de dijken breken
Hoe ontstond de watersnoodramp?
Op 29 januari 1953 ontstond er een zware noordwesterstorm bij IJsland. Via Schotland trok de storm naar de Noordzee. Een stormveld van 1000 kilometer kwam recht op de Nederlandse kust af. De storm had windkracht 10 op de schaal van Beaufort. Zaterdagavond 31 januari 1953 kwam de storm aan bij de Nederlandse kust.
Tegelijkertijd was het springtij. Dan komt het hoogwater hoger dan normaal. De combinatie van de storm en het springtij zorgde voor een springvloed. Hierdoor kwam het zeewater extreem hoog te staan. In Vlissingen steeg het water naar 3,85 meter boven Normaal Amsterdams Peil (NAP).
Slechte dijken
Veel dijken waren in 1953 niet sterk genoeg. Na de Tweede Wereldoorlog had Nederland namelijk weinig geld en aandacht voor waterveiligheid. De mensen waren vooral bezig om het land weer op te bouwen. Hierdoor konden veel dijken het hoge water niet aan.
Zondagochtend 1 februari, rond 3:00 uur ’s nachts, braken de dijken op meer dan 150 plaatsen in Zeeland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. Het water stroomde het land binnen. Later die dag volgde nog een tweede vloedgolf. Dit maakte de schade nog erger.
De Watersnoodramp in cijfers
In totaal liep 165.000 hectare land onder water en veranderde in rampgebied. Dit zijn ongeveer 231.000 voetbalvelden. 1836 mensen overleden en ook tienduizenden dieren overleefden het water niet. Meer dan 70.000 mensen moesten het gebied verlaten. Ze werden geëvacueerd. Ook was er veel schade aan huizen, boerderijen, wegen en landbouwgrond. De totale schade bedroeg 1,5 miljard gulden. Dit is tegenwoordig 5,4 miljard euro. Dit maakt de Watersnoodramp van 1953 de grootste natuurramp in Nederland van de twintigste eeuw.
Hulp na de ramp
Na de Watersnoodramp kwamen er veel hulpacties uit zowel binnen- als buitenland. Over de hele wereld zamelden mensen geld, goederen en kleding in. In Nederland haalde het radioprogramma ‘Beurzen open, dijken dicht’ veel geld op. Ook speelden Nederlandse voetballers een speciale wedstrijd tegen Frankrijk om geld op te halen.
Ook de schade aan de dijken moest worden hersteld . Hiervoor richtte Rijkswaterstaat het Bureau Coördinatie Dijkherstel op. Het Rijk betaalde alle kosten en zorgde voor de sturing. Duizenden arbeiders en meer dan 4.000 militairen uit binnen- en buitenland hielpen mee. Op 6 november 1953, tien maanden na de ramp, waren alle dijken gerepareerd.
Deltawerken
De ramp liet zien hoe belangrijk sterke dijken en goede bescherming tegen het water zijn. Daarom werd besloten om het land beter te beschermen. Zo begonnen de Deltawerken. Bij dit project werd de kust korter en sterker gemaakt. Dat gebeurde door verschillende open verbindingen met de zee, zoals bij de Oosterschelde, af te sluiten. De kustlijn was eerst ongeveer 700 kilometer lang en kronkelig. Door de Deltawerken werd die lijn veel rechter en nog maar 80 kilometer lang. Ook zorgden de Deltawerken dat het water in het land beter geregeld wordt. Zo blijft er genoeg zoetwater beschikbaar. Bovendien werd Zeeland door het project beter bereikbaar en kwamen er nieuwe natuur- en recreatiegebieden.
De Deltawerken bestaan uit twaalf grote bouwwerken die Nederland beschermen tegen het water. Rijkswaterstaat maakte de laatste twee af in 1997: de Maeslant- en de Hartelkering. Met de Deltawerken liet Nederland aan de wereld zien hoe goed het is in waterbeheer.
Minder waterschappen
Na de ramp veranderde er veel bij de waterschappen. In 1953 waren er in Nederland nog 2.650 waterschappen, inmiddels zijn die samengevoegd tot in totaal 21 waterschappen. Dat is beter, omdat grotere waterschappen meer kennis en mensen in huis hebben om hun werk goed te doen.
Plannen voor de toekomst
Sinds 1953 zijn er geen belangrijke dijken meer doorgebroken. Dat betekent niet dat er niks meer gebeurt. Waterveiligheid blijft een belangrijk onderwerp. De waterschappen blijven dijken controleren en versterken. Samen met Rijkswaterstaat versterken de waterschappen tot 2050 honderden kilometers dijken met het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP).